Voordat een gemeente een bouw- of aanlegvergunning, een ontgrondingvergunning of een bestemmingsplanwijziging afgeeft dient de archeologische waarde van een terrein door middel van een vooronderzoek bepaald te worden. Onder archeologisch vooronderzoeken worden bureau-, boor- en proefsleufonderzoeken bedoeld, waarbij het bureauonderzoek de eerste stap is. Het product van deze onderzoeken is een rapportage met de noodzakelijke inhoudelijke informatie en advies. Deze rapportage is tevens het schriftelijke bewijs dat u als opdrachtgever aan de eis van de vergunningverlener, in veel gevallen de gemeente, heeft voldaan. Op basis van de informatie en het advies in de rapportage neemt de vergunningverlener een selectiebesluit. Hierbij wordt bepaald of  het terrein kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkeling of dat eventuele archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn is de initiatiefnemer verplicht hier rekening mee te houden. Dit kan een reden zijn om de plannen aan te passen waardoor de vindplaatsen ter plekke in de bodem behouden blijven (behoud in situ), of  dat een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten noodzakelijk is (behoud ex situ). Ook een archeologische begeleiding behoort in sommige gevallen tot de mogelijkheden.

Verdrag van Malta

Het is in Nederland verplicht om bij ruimtelijke besluitvorming de archeologische belangen mee te wegen. In 1992 is in Valletta het Verdrag van Malta ondertekend door Nederland. De belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn het streven naar behoud in de bodem (behoud in situ), het vroegtijdig betrekken van archeologie in ruimtelijke ordeningsprocessen en tenslotte, wanneer behoud in situ niet mogelijk is, het "de verstoorder betaalt" principe. Na het ondertekenen van dit verdrag werd, in afwachting van de implementatie in de Nederlandse wetgeving, steeds vaker al "in de geest van Malta" gehandeld.

De Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ, 1 september 2007)

Deze wet is in feite de implementatie in de Nederlandse wet van het Verdrag van Malta inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Dit geldt voor iedereen die bodemingrepen gaat (laten) uitvoeren: zowel particulieren als bedrijven, projectontwikkelaars en (lokale) overheden. Naast bovengenoemde uitgangspunten van het Verdrag van Malta heeft Nederland bij de implementatie gekozen voor liberalisering.  Bedrijven en overheden die voldoen aan de kwaliteitseisen kunnen een opgravingsvergunning aanvragen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, voorheen RACM, voorheen ROB). Deze vergunning is verplicht voor het doen van archeologisch veldonderzoek. Archeologenbureau Argo is in het bezit van een geldige opgravingsvergunning en voldoet aan de laatste gestelde eisen.

Voor meer informatie over wet- en regelgeving op het gebied van archeologie verwijzen wij naar de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

pijp